Het toenemende belang van de “niet-cognitieve vaardigheden”

Onderzoek

Symen van der Zee, lector Vernieuwend Onderwijs Saxion

Jarenlang werd schoolsucces vooral verklaard vanuit de achtergrond van leerlingen en hun intelligentie. Nieuw onderzoek laat echter zien dat de zogeheten “niet-cognitieve vaardigheden” van even groot of zelfs groter belang zijn. Groot internationaal onderzoek, onlangs gepubliceerd in Nature Communications, volgde meer dan vijfduizend Britse kinderen vanaf hun zevende levensjaar tot het einde van het voortgezet onderwijs. Zhou en collega’s (2026) keken niet alleen naar cognitieve vaardigheden en schoolprestaties, maar dus ook naar niet-cognitieve vaardigheden zoals nieuwsgierigheid, doorzettingsvermogen, academisch zelfvertrouwen en schoolbetrokkenheid. 

De niet-cognitieve vaardigheden blijken een cruciale rol te spelen in schoolsucces. Wat betekent dat leren veel meer is dan het beschikken over cognitieve capaciteiten. Leerlingen ontwikkelen zichzelf ook door hoe zij naar leren kijken, hoeveel vertrouwen zij hebben in hun eigen kunnen en in hoeverre zij zich betrokken voelen bij school. Een leerling die denkt dat hij iets kan leren, zal vaker doorzetten wanneer het moeilijk wordt. Een nieuwsgierige leerling stelt meer vragen en zoekt actief naar nieuwe kennis. Leerlingen die plezier ervaren in leren, investeren doorgaans meer tijd en aandacht. Daarmee bouwen kinderen als het ware actief mee aan hun eigen leeromgeving.

Eén bevinding van het onderzoek is met name interessant: niet-cognitieve vaardigheden worden belangrijker naarmate leerlingen ouder worden. Bij jonge kinderen sturen ouders en leerkrachten het leren nog sterk aan. Maar tijdens de adolescentie krijgen jongeren steeds meer autonomie. Ze maken eigen keuzes in hoeveel tijd ze investeren, welke vakken ze interessant vinden en hoe serieus ze school nemen. Juist dan worden motivatie, nieuwsgierigheid en academisch zelfbeeld steeds bepalender voor succes. Op zestienjarige leeftijd blijken factoren als doorzettingsvermogen, interesse in vakken en academisch zelfvertrouwen sterk samen te hangen met leerprestaties. Dat onderstreept hoe belangrijk het is dat onderwijs niet alleen gericht is op kennisoverdracht, maar ook op het versterken van de betrokkenheid van leerlingen bij leren.

Opvallend is dat leraren bijzonder goed in staat zijn om zaken als motivatie, inzet en leerhouding waar te nemen bij hun leerlingen. Zelfs beter dan leerlingen zelf. De kunst is vervolgens om deze niet-cognitieve vaardigheden ook actief, doelbewust en systematisch te stimuleren. Want waar intelligentie vaak als relatief stabiel wordt gezien, zijn zaken als motivatie, nieuwsgierigheid en academisch zelfvertrouwen juist sterk beïnvloedbaar door onderwijs. Leerlingen komen vaak het best tot leren wanneer zij zich gezien voelen, nieuwsgierig mogen zijn en ervaren dat fouten maken onderdeel is van ontwikkeling. 

Deze inzichten sluiten nauw aan bij de uitgangspunten van het montessorionderwijs. Leerlingen krijgen ruimte om eigen keuzes te maken, nieuwsgierigheid te volgen en in hun eigen tempo te leren. Juist daardoor ontwikkelen zij vaardigheden zoals zelfdiscipline, doorzettingsvermogen en betrokkenheid bij leren; vaardigheden die volgens het onderzoek steeds bepalender worden naarmate jongeren ouder worden. Het onderzoek bevestigt daarmee wat binnen het montessorionderwijs gemeengoed is: goed onderwijs gaat niet alleen over kennisoverdracht, maar ook over de vorming van zelfstandige, gemotiveerde en zelfbewuste lerenden.